Wat zijn dwangstoornissen?

Rituelen, vaste gewoonten en bijgeloof zijn dingen die in het dagelijks leven van kinderen vaak voorkomen. Ze helpen het kind om houvast en zekerheid te krijgen over zijn eigen leven en gedachten. Een bekend voorbeeld is het uitvoeren van een slaapritueel bij jonge kinderen: hiermee geef je het kind houvast aan een vast patroon waardoor het gemakkelijker in slaap valt doordat hij er zich veilig bij voelt.

Soms gaan herhalende gedachten of handelingen echter zo ver dat ze moeilijk te stoppen of onder controle te krijgen zijn en in het dagelijks leven hinderlijk in de weg gaan zitten. Dan spreken we van dwanggedachten en –handelingen. Die hebben vaak een “bezwerende” functie in het omgaan met angstige gevoelens. Bijvoorbeeld: alleen als ik op weg naar school geen naden tussen de stoeptegels raak, zal mijn proefwerk goed gaan; het dwangmatige gedrag heeft in dit geval de functie om faalangst te verminderen. Er is een sterk verband tussen dwangklachten en angst. De meeste kinderen met dwang ervaren ook angsten waar ze op een andere manier geen controle op krijgen.

Kenmerken
De officiële naam van een dwangstoornis is ‘obsessief-compulsieve stoornis’ (OCS). We spreken hiervan als iemand minstens één uur per dag last heeft van dwanggedachten en/of zich gedwongen voelt om dwanghandelingen uit te voeren.

Een dwanggedachte is een vervelende gedachte of beeld dat steeds opnieuw in iemand opkomt zonder dat diegene dat wil. Meestal zijn het nare, enge of rare gedachtes. Je kunt ze alleen maar uit je hoofd krijgen door een dwanghandeling uit te voeren: iets wat je moet doen omdat je je anders rot voelt. Bijvoorbeeld: alles wat je met rechts aanraakt, ook met links aanraken; dingen een bepaald aantal keer herhalen; tellen; steeds opnieuw je handen wassen etc. Vaak weten kinderen en jongeren wel dat het eigenlijk niet nodig of raar is wat ze doen, maar kunnen ze er toch niet mee stoppen.