Peutertijd: tussen 1,5 en 4

In deze levensfase willen kinderen steeds meer zelf bepalen en zelf kiezen. Ze worden zich meer en meer bewust van hun eigen ik. Kinderen leren in de peutertijd steeds beter praten en kunnen beter aangeven wat zij willen en hoe zij zich voelen. Ze kunnen daarbij ook driftig en koppig gedrag laten zien wanneer ouders hen iets verbieden. Deze levensfase wordt daarom ook wel eens de peuterpuberteit genoemd. In deze fase leren peuters emoties kennen zoals schuldgevoelens, schaamtegevoelens, twijfel, trots, verlegenheid en jaloezie. Naast hun eigen gevoelens en emoties leren zij ook om te gaan met en te reageren op de gevoelens en emoties van anderen en ontwikkelen zij gevoelens van empathie. Het spelgedrag van een peuter is egocentrisch. De peuter is nog niet in staat tot daadwerkelijk samenspel, omdat het hem nog niet lukt zich in een ander te verplaatsen. Bij peuters zie je veel fantasiespel. Een belangrijke ontwikkeling in deze fase is het zindelijk worden.

Kenmerkende opvoedingsvragen zijn: mijn kind heeft een zeer eigen wil, kan erg driftig gedrag vertonen, wil geen avondeten eten, luistert slecht, is ongehoorzaam, is erg druk, vraag veel aandacht, komt niet af van zijn speen, klimt ’s avonds altijd uit bed, plast nog in zijn bed, is overdag nog niet zindelijk, bijt en slaat andere kinderen, huilt snel, is eenkennig, is erg stil, zoekt weinig contact met andere kinderen.